Als u begint met het berekenen van uw CO₂-voetafdruk, stuit u al snel op het begrip 'scopes'. Het GHG Protocol — de mondiale standaard voor het inventariseren van broeikasgasemissies — verdeelt alle uitstoot in drie categorieën. Die opdeling bepaalt wat u zelf kunt meten, wat u bij uw leveranciers moet ophalen, en wat u misschien voorlopig buiten beschouwing laat.
Scope 1: uw directe uitstoot
Scope 1 omvat alle emissies die direct uit uw eigen bronnen vrijkomen. Denk aan:
- Verbranding van aardgas in uw verwarmingsinstallatie of productieproces
- Brandstofverbruik van bedrijfsvoertuigen op benzine, diesel of LPG
- Koelmiddelen die vrijkomen uit airconditioning of koelcellen (zogenoemde F-gassen)
- Verbrandingsprocessen in productieapparatuur die u zelf bezit en beheert
Scope 1 is relatief eenvoudig te meten: de gegevens staan op uw energierekening en tankpassen. Voor de meeste kantoororganisaties is scope 1 een klein deel van de totale voetafdruk.
Scope 2: indirect via ingekochte energie
Scope 2 gaat over de uitstoot die vrijkomt bij de opwekking van de energie die u inkoopt, maar niet zelf opwekt. In de praktijk:
- Elektriciteitsverbruik — de CO₂-uitstoot hangt af van hoe de stroom is opgewekt
- Stoom, warmte of koude die u via een net of van een externe leverancier afneemt
Het GHG Protocol onderscheidt twee methoden voor scope 2:
- Location-based — u gebruikt de gemiddelde emissiefactor van het nationale elektriciteitsnet
- Market-based — u gebruikt de emissiefactor van uw specifieke energiecontract (bijv. 0 g/kWh bij gecertificeerde groene stroom)
Als u groene stroom inkoopt met garanties van oorsprong (GvO's), mag u bij de market-based methode een factor van (vrijwel) nul gebruiken — wat een significante daling van uw scope 2 geeft.
Scope 3: alle overige ketenuitstoot
Scope 3 is veruit de grootste en meest complexe categorie. Het omvat alle indirecte emissies in uw waardeketen — zowel upstream (toeleveranciers) als downstream (klanten en gebruik). Het GHG Protocol onderscheidt 15 subcategorieën, waarvan de meest relevante voor MKB zijn:
- Ingekochte goederen en diensten (categorie 1) — de CO₂ die vrijkomt bij de productie van wat u inkoopt
- Kapitaalgoederen (categorie 2) — de CO₂-voetafdruk van machines, hardware en gebouwen die u aanschaft
- Zakelijke reizen (categorie 6) — vluchten, treinreizen, hotelverblijven
- Woon-werkverkeer (categorie 7) — het woon-werkverkeer van uw medewerkers
- Transport van en naar uw bedrijf door derden (categorieën 4 en 9)
- Gebruik van verkochte producten (categorie 11) — de CO₂ die vrijkomt als uw klanten uw product gebruiken
Voor veel kantoororganisaties vertegenwoordigt scope 3 meer dan 80% van de totale CO₂-voetafdruk. Toch rapporteren de meeste bedrijven alleen scope 1 en 2.
Welke scopes zijn verplicht?
Dat hangt af van de norm die u volgt:
- CO₂-Prestatieladder niveau 3 — scope 1, 2 en geselecteerde scope 3-categorieën verplicht
- PAS 2060 — scope 1 en 2 verplicht; scope 3 voor zover 'materieel' (meer dan 1% van totaal)
- CSRD (grote bedrijven, >250 medewerkers) — alle drie de scopes verplicht
- SBTi — scope 3 verplicht als het meer dan 40% van de totale emissies uitmaakt
Hoe verzamelt u scope 3-data?
Scope 3-data is lastig te verzamelen omdat u afhankelijk bent van informatie van derden. Drie praktische aanpakken:
- Spend-based — reken uw inkoopbedragen om met emissiefactoren per euro uitgegeven in een sector. Snel, maar onnauwkeurig.
- Activiteitsdata — vraag leveranciers om concrete verbruikscijfers (kWh, kg, km). Nauwkeuriger, maar tijdrovend.
- Hybride — gebruik activiteitsdata voor de grootste posten (bijv. zakelijk vliegverkeer) en spend-based voor de rest.
Begin met de categorieën die waarschijnlijk het zwaarst wegen. Voor een webbureau zijn dat waarschijnlijk inkoop van hard- en software en woon-werkverkeer. Voor een transportbedrijf is het brandstofverbruik van ingehuurde vervoerders dominant.
Over de auteur
Thomas Bouwman
MKB-duurzaamheidsadviseur
Thomas Bouwman begeleidt middelgrote bedrijven bij hun transitie naar CO₂-neutrale bedrijfsvoering. Na tien jaar als operationeel manager in de maakindustrie werkt hij nu als zelfstandig adviseur, gespecialiseerd in de CO₂-Prestatieladder en praktische reductiestrategieën voor het MKB. Hij schrijft regelmatig over wat in de praktijk wél en niet werkt — zonder modieuze termen.